Home| Zoeken ...| Guestbook| Links|
Paragraaf
› Eigenschappen › Jeugd › Poetica › Laatste jaren › Tijdlijn
Hoofstukken
› Inleiding » Biografie › Werken › Dagboeken › Prenten

Het leven van Robert Musil

I. Eigenschappen

Robert Musil was geen prettig mens om mee om te gaan. Adolf Frisé heeft in zijn Plädoyer für Robert Musil" (1982) een lijst met oordelen van mensen die hem gekend hebben over de persoon Musil samengesteld.

Koel, trots, gesloten, koud, vernietigend in zijn oordeel, scherp, militaire toon, ijdel, elegant, beleefd, verzorgd, afstandelijk, ambtelijk, onkreukbaar, een grote maar niet sympathieke persoonlijkheid, trots op zijn oorlogsverleden, ontoegankelijk, voelde zich niet erkend, hield de mensen ver van zich en vereenzaamde daardoor, maakte eerder geringschattende dan positieve opmerkingen.

Deze eigenschappen worden in de biografieën vaak in een adem genoemd met twee andere aspecten die een rol spelen in zijn leven. De armoede waarin hij het grootste deel van zijn leven heeft verkeerd, en zijn houding ten opzichte van andere auteurs. Beide komen voort uit een gebrek aan erkenning.

Gepaard met de armoede gaat de onzekerheid over hoe hij het hoofd boven water moet houden. In zijn dagboeken verschijnen regelmatig aantekeningen dat hij en Martha nog slechts voor enkele dagen genoeg geld hebben om van te leven. In een dagboekfragment uit 1930 noteert hij naar aanleiding van deze precaire financiele situatie: Ich bin (geistig und moralisch) erschöpft.

Nu was deze armoede niet nieuw voor Musil en zijn vrouw. Al sinds hij besloot om zich geheel toe te leggen op het schrijverschap, ten koste van een carriere aan de universiteit, verkeerde hij in armoede. In Berlijn en Wenen werden er Musil genootschappen opgericht om zijn werk onder de aandacht te brengen en hem van de noodzakelijke financiele middelen te voorzien die het hem mogelijk zouden maken zijn grote werk Der Mann ohne Eigenschaften te voltooien. In zijn laatste levensjaren te Geneve was het pater Robert Lejeune die hem door middel van wat Musil zelf als bedelbrieven omschreef, teneinde giften van goedgezinde intellectuelen los te krijgen, financieel wist te steunen.

In 1930 dus is Musil de wanhoop nabij: hij wordt 50 jaar oud, en het is het jaar waarin de eerste delen van Der Mann ohne Eigenschaften verschijnen. Wat hem nu in deze het meest dwars zit is de discrepantie tussen zijn immense inspanningen en het gebrek aan belangstelling van het publiek. Hij begint zich af te vragen of er wel plaats is voor hem in de Duitse literatuur.

Het werk aan Der Mann ohne Eigenschaften neemt nu al tien jaar in beslag, terwijl andere auteurs in deze periode meerdere boeken doen verschijnen, en er geen probleem mee hebben 'marktgericht' te schrijven. Zelf zegt hij in een interview met Oskar Maurus Fontana een " Beitrage zur geistigen Bewältigung der Welt" te willen leveren.

Het grootste verwijt dat andere auteurs treft is oppervlakkigheid. Ze zijn niet in staat, of bereid, reflexief te denken, dat ze intellectueel niet opgewassen zijn tegen hun tijd of omstandigheden, en dat juist dit hun succes verzekert. Dit succes op zijn beurt is weer verantwoordelijk voor het gebrek aan diepgang dat hij zijn tijdgenoten verwijt.
Bijzonder mooie mannenkoppen zijn gewoonlijk leeg: bijzonder diepzinnige filosofen zijn vaak oppervlakkige denkers: in de literatuur worden gewoonlijk talenten die maar net boven de middelmaat uitkomen door hun tijdgenoten als groot beschouwd. [Man Zonder Eigenschappen III: Hst 14, p. 1064]
Thomas Mann moet het wel het meest ontgelden. Voor Musil dankt Mann zijn succes aan het feit dat hij de vooroordelen van de liberale intelligentsia, zij het ietwat verfijnd, tot uitdrukking brengt. Het is de intellectuele doorsnee die zich in Thomas Mann kan vinden. Wanneer hij verneemt dat vele auteurs, maar met name Thomas Mann, zich lovend over hem geuit hebben, en zelfs een Musil-Verein opgericht, geeft hij toe geroerd te zijn dat de man wie hij zoveel onrecht heeft aangedaan, hem steunt. Maar het wantrouwen tegen degenen die succes hebben blijft.

Dit wantrouwen zou af te doen zijn als kift, ware het niet dat het veelzeggend is voor Musil's literatuuropvattingen.Voor Musil is de schrijver/dichter een representant van zijn land; in de literaire werken staat waarover in een land nagedacht wordt. De Duitstalige literatuur is in zijn tijd niet uitgerust voor deze taak. Ze blijft oppervlakking, houdt zich bezig met de politieke, esthetische of ethische waan van de dag, gaat slechts over zichzelf, of voorziet in een irrelevante behoefte.

De teleurstelling over zijn armoede en gebrek aan erkenning, maakte van Musil aan het einde van zijn leven eeneenzaam en verbitterd mens.
Daß du nicht berühmt bist, ist natürlich; daß du aber nicht genug Leser zum Leben hast, ist schändlich.

^ top

II. Geboorte en jeugd

Op 6 noveber 1880 wordt Robert Musil te Klagenfurt geboren als kind van ingenieur Alfred Musil en diens vrouw Hermine. Zijn vader stamt uit een oud - Oostenrijkse familie, en de voorouders van zijn moeder zijn afkomstig uit Bohemen. Zijn vader zal zich uiteindelijk op werken tot hoogleraar Machinebouw- kunde aan de technische hogeschool van Brunn. Hij verkrijgt de titel van 'Hofrat' en wordt, kort voor het einde van de Habsburgse monarchie, geadeld. Ook Robert moet, zo wil zijn vader, een aanzienlijke positie bekleden. Hij moet officier worden.

Veel zal Musil zich later niet kunnen herinneren van zijn jeugd. En de herinneringen die hij heeft kan hij zeker niet altijd positief waarderen. Hij was een in zichzelf gekeerd kind, dat moeite had zich aan de onventies van het kind-zijn te houden. Het liefst zat hij in de tuin in te kijken, naar om het even wat. Of, zo verraden beelden uit zijn dagboeknotities en pogingen een autobiografie te schrijven, stond hij voor een raam van het ouderlijk huis, te staren naar iets wat toevallig zijn aandacht had getrokken. Dit beeld, staand voor een raam, peinzend, zal later vaker dan elk ander terugkeren in zijn werk: de lezer ontmoet Ulrich voor het eerst wanneer deze voor het raam van zijn nieuwe huis in Wenen naar buiten staart en zijn gedachten laat gaan over eigenschappen en eigenschaploosheid.

Zo gebeurde het dat hij lange tijd gefascineerd een slak bekeek dat over een blad kroop. Tijdens zulke gelegenheden werd hij nauwlettend door zijn vader gadegeslagen. Op de vragen die deze aan zijn zoon stelde, over wat hij dacht bij het zien van de slak, kwam vaak geen antwoord; Robert wist het zelf niet. De vader bedacht hierdoor dat de jongen geinteresseerd was in het observeren: en langzaam rees het idee dat de zoon tot een 'natuuronderzoeker', een bioloog, opgeleid moest worden.

De beelden van zijn jeugd zijn nooit scherp. Vaker gaat het om een beschrijving van een sfeer, een gebaar, stillevens die later op de voor Musil de schrijver kenmerkende manier als korte observatie in de dagboeken terugkeren:

Ein Kindheitszug war das Brüten in der Melancholie des Zimmers, und vielleicht sollte man sagen, über einem geliebten Spielzeug
In zijn dagboeken noteert Musil later dat men hem door zijn eigenzinnigheid vaak vergeleek met zijn grootvader van vaderszijde. Deze, Mathias Musil, had zich van bescheiden afkomst opgewerkt tot legerarts, en besloot van de een op de andere dag zich te gaan weiden aan de landbouw. Hij trok zich terug uit het leger en begon een boederij om van te leven en om onderzoek te doen. Bedoeld wordt hier niet alleen dat Musil eigenzinnig is, maar ook energiek, en succesvol, maar vooral, door zijn eigenzinnigheid, moeilijk in de omgang, in ieder geval iemand waar je voorzichtig mee om moet gaan.

Robert Musil zal beide wensen van zijn ouders, het leger en de wetenschap, deels in vervulling doen gaan. In 1892 gaat hij naar de Militär-Unterrealschule in Eisenstadt. Hij doet dit niet zozeer omdat hem dit de juiste keus lijkt, of omdat hij enige affiniteit heeft met het militaristische regime, maar omdat hij, zoals hij later stelt, eindelijk een lange broek dragen wil. Dat wil zeggen, hij wilde als volwassen beschouwd worden, eindelijk serieus genomen. Voor zijn vader waren het voornamelijk praktische redenen hem naar de militaire academie te sturen. Op zijn negentiende zou hij officier zijn en zo over een eigen inkomen beschikken, en zich van een toekomst verzekerd weten. Voor de moeder gold dat zij hoopte dat Robert op de academie een strengere opvoeding zou genieten.

Na de eerste twee jaren in Eisenstadt, die zonder noemenswaardige herinneringen blijven, gaat hij in 1894 naar de Militär-Erziehungs- und Bildungsanstalt in Mährisch-Weißkirchen. Hier is het bewind autoritair, een spartaans tuchthuis waar de leerlingen als veroordeelden behandeld worden. Veertig jaar na zijn tijd in deze instelling jagen de herinneringen aan de washokken, de toiletten, en de alle beschijving tartende schooluniformen hem nog steeds grote schrik aan. Ongewoon heftig is zijn beschrijving van Weißkirchen: "das Arschloch des Teufels". Hij vraagt zich af of zijn reinheid van nu niet nog steeds een overcompensatie is van wat hij toen mee had moeten maken.

Wanneer Musil in 1897 de militaire academie verlaat weet hij, in tegenstelling tot veel van zijn medeleerlingen, nog steeds niet wat hij wil van het leven, hoewel het uiteraard voor zijn ouders wel duidelijk is: voor hem ligt een glanzende militaire carriere. Zelf zegt hij:
Ich selbst war damals ganz unbestimmt, ich wußte nicht, was ich wollte, ich wußte bloß, was ich nicht wollte, und das war ungefähr alles, was zu jener Zeit für das galt, was man als Schriftsteller tun sollte.
Musil is dus zeventien jaar wanneer hij Weißkirchen verlaat voor de Technischen Militärakademie in Wenen. Hij neemt nu in ieder geval een richting die meer dan het militaire aansluit bij zijn gevoel. Maar ook deze keuze is niet geheel door hemzelf genomen, maar meer om aan zijn vaders wensen tegemoet te komen, die de twee tradities van de familie Musil, te weten het leger en de techniek, graag in zijn zoon verenigd ziet.

Na enkele maanden is Musil erin geslaagd zijn vader de ambitieuse koppeling uit het hoofd te praten en gaat hij naar de Technische Hogeschool van Brünn. De technische studie bevalt hem goed; hij lijkt voor het eerst van zijn leven iets te doen wat hem een zinnige bezigheid lijkt. In 1899 volgt het eerste staatsexamen, in 1901 het tweede. Voor beide slaagt hij met glans. Hoewel hij later, in zijn dagboeken, met de nodige ironie terugblikt op deze periode, is zij toch van groot belang voor hem geweest. Het aura van exactheid dat hij onder technici aantreft, het wantrouwen tegen het illusoire bij zaken die men ook berekenen kan maakt grote indruk op hem.
Wenn man einen Rechenschieber besitzt, und jemand kommt mit großen Behauptungen oder großen gefühlen, so sagt man: Bitte einen Augenblick, wir wollen vorerst die Fehlergrenzen und den wahrscheinlichen Wert von alledem berechnen!
Echter, in de jaren 1902 - 1903 raakt Musil gedesillusioneerd in zijn vak. Hij bemerkt dat de ingenieurs niet leven volgens de maatstaven van hun eigen vak. Hij werkt dan als assistent in de laboratoria van zijn school. Wat hem het meest teleurstelt is dat na de ene routineuze dag na de andere, er niets overblijft waarvan hij kan zeggen dat het zin gehad heeft, blijvend is. De aanvankelijke fascinatie voor de heilige nuchterheid van de techniek is verdwenen. De literatuur wordt zijn uitweg uit deze impasse.

^ top

III. Poëtica

Robert Musil i. Literaire aspiraties. In 1898 noteert Musil op een blad onder de titel Monsieur le Vivisecteur enkele ideeën over een Buch der Unterhaltung. Het moet uit twee delen bestaan: een eerste deel met een beschrijving van het leven van msr.le Vivisecteur aan de hand van anekdotes. Een tweede deel bevat Blätter aus dem Nachtbuch des monsieur le vivisecteur. Hij begint de schetsen met het beeld dat hij als kind uit het raam naar buiten staart waarin zich alle herinneringen aan de jeugdige eenzaamheid gekristaliseerd hebben. De uitgave van zijn dagboeken beginnen met deze schetsen. Maar na een korte tijd stopt hij er voor twee jaar mee. Ondertussen is hij begonnen met het opschrijven van psychologische-typologische notities van diverse waarnemingen. In 1902 neemt hij zich voor de aantekeningen weer te hervatten, maar nu niet meer uitsluitend voor aantekeningen voor zijn literaire werken, maar nu als dagboek, met allerhande observaties, ideeën, psychologische typeringen, en filosofische beschouwingen.

Waren de aantekeningen voor msr. le Vivisecteur nog afstandelijk en esthetisch, de dagboekaantekeningen zijn vanaf nu voornamelijk, onder invloed van de discipline die hij zich door zijn techniek-studie op heeft moeten leggen, als pretentieloze notitie- en werkboek te lezen. Afstandelijk zal het dagboek blijven:
Persönliches werde ich nur selten notieren und nur, wenn ich glaube, daß es mir einst von geistigen Interesse sein wird, an das Betreffende erinert zu werden.
Deze objectivering van zijn persoonlijkheid, zoals hij het zelf ziet, gaat gepaard met een toenemende labilisering van zijn intellectuele Ik. Zo gaat de afstandelijkheid van zijn eerste pogingen tot literatuur hand in hand met afwijking van zijn rationele overtuigingen. Zo stelt hij nu van zichzelf vast dat hij meer plaats in zijn leven heeft voor zinnelijke en emotionele ervaringen dan hij vroeger voor mogelijk had gehouden, en gezien zijn intellectuele ontwikkeling ook eigenlijk mogelijk is.

Ondertussen is hij begonnen te lezen: ervaringen die hem naar zijn gevoel rijker, en kritischer maken. Ralph Waldo Emerson, Maeterlinck, Dostojewski, maar bovenal Nietzsche. Deze laatste ontdekte hij toen hij net van de Militaire academie afscheid had genomen. Van Nietzsche leert hij dat innerlijk en uiterlijk voor de filosoof niet de juiste begrippen zijn om het denken op te baseren. De achtienjarige Musil leest in Menschliches, Allzumenschliches:
Sie meinen, mit tiefen Gefühlen komme man tief ins Innere, nahe man sich dem Herzen der Natur. Aber diese Gefühle sind nur insofern tief, als mit ihnen, kaum merkbar, gewisse komplizierte Gedankengruppen regelmäßig erregt werden, welche wir tief nennen; ein Gefühl ist tief , weil wir den begleitenden Gedanken für tief halten. Aber der tiefe Gedanke kann dennoch der Wahrheit sehr ferne sein, wie zum Beispiel jeder metaphysische; rechnet man vom tiefen Gefühle die beigemischten Gedankenerlebnisse ab, so bleibt das starke Gefühl übrig, und dieses verbürgt nichts fü die Erkenntnis als sich selbst, ebenso wie der starke Glaube nur seine Stärke, nicht die Wahrheit des Glauben beweist
Bij Nietzsche is dan ook de basis voor Musil's gevoelspsyhologie te vinden. Wanneer hij in de toekomst tracht zich duidelijkheid te verschaffen over ervaring(en), komt hij in de knel met een dergelijk dualisme. Veertig jaren na zijn eerste kennismaking met Nietzsche, wanneer hij bezig het laatste voltooide hoofdstuk te bewerken van de Man zonder eigenschappen verschaffen Nietzsches opmerkingen over Privé- en werelmoraal, over de logika van de droom, leiden en medeleiden liefde en rechtvaardigheid Ulrich steekwoorden voor de discussies die hij voert met zijn zuster Agathe.
Alle stärkeren Stimmungen bringen ein Miterklingen verwandter Empfindungen mit sich: sie wühlen gleichsam das Gedächtnis auf. Es erinnert sich bei ihnen etwas in uns und wird sich ähnlicher Zustände und deren Herkunft bewußt. So bilden sich gewöhnlich rasche Verbindungen von Gefühlen und Gedanken, welche zuletzt, wenn sie blitzschnell hintereinander erfolgen, nicht einmal mehr als Komplexe, sondern als Einheiten empfunden werden. In diesem Sinne redet man vom moralischen Gefühle, vom religiösen Gefühle, wie als ob dies lauter Einheiten seien: in Wahrheit sind sie Ströme mit hundert Quellen und Zuflüssen. Auch hier, wie so oft, verbürgt die Einheit des Wortes nichts für die Einheit der Sache
Musil vraagt zich hoe het mogelijk is dat hij in zijn jeugd, bij zijn kennismaking met het werk van Nietzsche, slechts een derde van diens werk begrepen heeft, en dit toch zo'n grote invloed op zijn eigen werk gehad kan hebben. Het zijn namelijk Nietzsches relativering en omkering van de begrippen 'diepte' en 'oppervlakte', Nietzsches antithese van 'eenheid van woord' tegenover 'veelheid van begrip' die een belangrijke plaats innemen in het werk van Musils.

Maar zijn probleem is dat hij een vertelvorm moet vinden die in grotere mate recht doet aan het denken dan wat hij tot nu toe gewend is te lezen. Nietzsches werk heeft hem al tot de overtuiging gebracht dat literatuur kennis en inzicht moet garanderen. Beschrijven alleen is niet genoeg:
Die Dichtung hat nicht die Aufgabe, das zu schildern, was ist, sondern das, was sein sol. Mit anderen Worten: Dichtung gibt Sinnbilder.
Voor hem ontbreekt dan ook bij veel schrijvers de door hem gewenste synthese van denken en vertellen. Zo zegt hij bijvoorbeeld over Dostojewski dat deze, hoewel hij veel van zijn werken houdt, toch de precisie mist die nodig is om diens probleemstellingen afdoende uit te kunnen werken.
Er kam mir geistig zu ungenau vor: Ich hatte den Eindruck, seine Problemsbehandlung sei nicht eindeutig genug! Es kam mir zuwenig heraus!
Voor Musil is stijl de uitkristalisering van zijn denken. Maar hoe verwoordt hij zijn denken? Hoe nauwkeurig kan hij zijn? Herman Broch zegt over Musil's heldere stijl het volgende
Musil beseft dat je het diepzinnige verbergen moet op de enige plaats waar het te verdragen is: aan de oppervlakte.
ii. De Filosofie en Martha
In 1903 begint Musil een filosofiestudie in Berlijn, omdat hij vreest zonder kennis cq inzicht geen poetische ideeën die hem de nodige inzicht in de mens verschaffen te kunnen formuleren. Hij houdt zich bezig met de Kennistheorie en Logica en laat zicht beïnvloeden door de Levensfilosie. Maar ook in de filosofie zal Musil niet de antwoorden, of de vragen, vinden die hij zoekt. Alleen al de vraag wat wezenlijk en onbelangrijk is schept verwarring waar zelfs de filosofie geen antwoord op kan geven, zo blijkt hem: de twijfel neemt alleen maar toe.
Der Dichtkunst gegenüber könnte man allein bei der Betrachtung der Produktion eines einzigenJahres verzweifeln. Und doch findet man aus dieser Unendlichkeit mit instinktiver Sicherheit nur ein paar Bücher heraus die einem wichtig werden. Die Literatur der exakten Wissenschaft hat dagegen den Vorzug, daß jedes Buch seine Vorgänger modifiziert, weiterbildet, überflüssig macht. Nur in der Philosophie weiß man nicht, von wem man lernen soll.
Ondanks deze teleurstellingen zal Musil hier wel enkele intellectuele ervaringen hebben die voor hem wezenlijk zijn, en hem ook bij het schrijven van zijn hoofdwerk nog van dienst zullen zijn. De belangrijkste zijn de kennismaking met de "Gestaltpsychologie", en zijn dissertatie over het werk van Ernst Mach waarin hij een Kennistheoretische verklaring voor zijn eigen houding ten opzichte van techniek vindt. Het gaat hem over de invloed van de exacte wetenschappen in de filosofie, die in deze tijd opgang maakte (het positivisme): Mach stelt, volgens Musil, dat zijn positivistische overtuigingen slechts door in de natuurwetenschappen beproefde waarnemingen tot stand zijn gekomen, en dientengevolge ook in de filosofie hun weg zouden moeten vinden. Musil ziet evenwel een discrepantie in het werk van Mach: de filosoof Mach ontkent hij het Noodzakelijkheidsprincipe, hij ziet slechts samenhang van funkties binnen de natuur, de onderzoeker Mach echter ontkomt er niet aan het Noodzakelijkheidsprincipe als een natuurwet voor te stellen.

De in 1906 verschenen Verwirrungen des Zögling Törleß reflecteert in zekere zin de zoektocht van Musil naar de balans tussen emotie en ratio, tussen "begreifen und verstehen", het onbestemde van de mensheid te leren kennen en zodoende te ontlopen. Een vast perspectief hiervoor ontbreekt echter. Hij weet dat hij dingen die voor anderen eenduidig zijn altijd (ook) met andere ogen zal bekijken.

In 1910 legt hij zijn Doctoraal-examen af: hoofdvak is filosofie, bijvakken wiskunde en fysica.

In 1911 verschijnt Vereinigungen en ontvangt weinig positieve kritieken. Zijn vader ondertussen is zijn schrijverschap meer en meer als een hobby gaan zien, iets waarmee hij niet op eigen benen kan komen te staan. Musil neemt het hem dan ook niet kwalijk wanneer hij hem een baan bij de Technische Hogeschool van Wenen bezorgt. Voordat hij in 1910 Berlijn verlaat gaat hij eerst met Martha Marcovaldi drie maanden op vakantie in Italië.

Martha ontmoette hij in 1907. Over de periode 1903-1910 zou hij later zeggen dat het een periode is die hij met een negatieve balans waar het bereikte doelen betreft af gesloten heeft, behalve zijn ontmoeting met Martha:
... sie ist nichts, was ich gewonnen, erreicht habe, sie ist etwas, das ich geworden bin und das ich geworden ist.
iii. De Man Zonder Eigenschappen
Vanaf 1921 tot aan zijn dood werkt Musil bijna dagelijks aan De Man Zonder Eigenschappen, waarvan het eerste en tweede deel in 1930 en het derde deel in 1933 verschijnt. Het vierde deel zal onafgemaakt blijven en pas jaren na zijn dood uitgegeven worden.

Het boek bestaat, grofweg, uit twee delen, of liever, twee verhaaldelen. Het eerste behandeld Kakanië; het speelt zich af in Oostenrijk, in het jaar 1913. Het gerucht gaat dat men in Duitsland in 1918 een feest wil geven ter gelegenheid van het veertigjarig jubileum van de keizer. De Oostenrijkse keizer regeert dan zeventig jaar. Dit dient natuurlijk uitbundiger, overweldigender gevierd te worden dan in Duitsland. Vooraanstaande kringen in Oostenrijk realiseren zich dit en organiseren een parallelactie, wat zoveel wil zeggen dat er gelijk aan de viering in Duitsland een feest in Oostenrijk plaats zal vinden dat vele male imposanter is en de gehele mensheid tot de verbeelding moet spreken. Ironisch hierbij is dat het jaar waarin de actie plaats zou moeten vinden, het jaar is waarin de Koninklijk-Keizerlijke staat Oostenrijk ophield te bestaan en een republiek werd. De hele viering van het jubileum blijft dus in de voorbereidende fase steken.

Het tweede, onafgemaakte deel van het boek behandelt de relatie tussen Ulrich en Agathe, broer en zus, die elkaar na de begrafenis van de vader, na een lange onderbreking weer terug zien. Samen gaan ze op reis naar het imaginaire "Duizendjarige Rijk", op zoek naar een zinvol bestaan, een "andere toestand" waarin verstand en gevoel verenigd kunnen zijn.

Ulrich is de man zonder eigenschappen. Alle andere personages zijn ideeëndragers. Ideeën, of ideologiën, zijn bindingen die het leven van de mensen bijeenhouden en vergemakkelijken, omdat zij het aantal mogelijke reacties beperken:
Wenn das Leben sozial gebunden und individuell nur beschränkt beweglich ist, ist es erleichtert. Einem gläubigen Katholiken oder Juden, einem Offizier, einem Burschenschafter, einem ehrbaren Kaufmann, einem Mann von Rang ist in jeder Lebenslage eine viel geringere Zahl von Reaktionen möglich als einem freien geist: Das erspart und sammelt Kraft.


De roman beschrijft de interacties van verschillende ideologieën en de moeilijke weg die de vrije geest daarin te gaan heeft. De aanwezigheid van ideologieën of bindingen biedt echter niet voldoende aanleiding om de kennis van de mens tot een volledig ander gebied dat met andere methoden bestudeerd moet worden, te rekenen dan de kennis van de natuur. Ook in de natuurwetenschappen is het begin een handeling vanuit het geloof, de fantasie, de aanname.

De eerste alinea van het boek is een parodie. Een parodie zowel op de nauwgezette precisie van de techniek en wetenschap, als op de conventionele realistische vertelwijze van de literatuur. Het begint met klimatologische en natuurkundige informatie over een zomerdag, welke eindigt met:
Mit einem Wort, das das Tatsächliche recht gut bezeichnet, wenn es auch etwas altmodisch ist: Es war ein schöner Augusttag des Jahres 1913.
Het verkeersongeluk dat op deze dag plaatsvindt en dat een dame tijdens haar wandeling onaangename sensaties en een vleugje medelijden bezorgt, verliest zijn onrustbarende betekenis voor haar nadat haar begeleider de oorzaak heeft weten te lokaliseren in de remweg.
Sie hatte dieses Wort wohl schon manchmal gehört, aber sie wußte nicht, was ein Bremsweg sei, und wollte es auch nicht wissen; es genügte ihr, daß damit dieser gräßliche Vorfall in irgend eine Ordnung zu bringen war und zu einem technischen Problem wurde, das sie nicht mehr unmittelbar anging.
Deze passages zijn kenmerkend voor de spanning die vaak in Musils werk terug te vinden is: de meetbare werkelijkheid en haar tegenspelers: culturele conventies, gevoelens, idealen. Er is evenwel nog een vierde partij: de mogelijkheidszin. De vader van Ulrich is een man van vaste principes: de werkelijkheidszin. Het zijn de andere redeneringen die het conflict tussen mogelijkheidszin en werkelijkheidszin, gevoel en verstand, genereren die centraal staan in de Man Zonder Eigenschappen.

^ top

IV. Laatste levensjaren

i. Literatuur is het leven
Aan de reeds aan Musil toeschreven eigenschappen kunnen nog de volgende toegevoegd worden: Musil blijkt een afkeer te hebben van voorschriften: niet alleen van voorgeschreven stromingen in de literatuur en de kunsten of van modes, maar ook van mechanische wereld- beelden, van uitgestippelde levenswegen. Zijn manier van schrijven is een voortdurende kentering, en telkens hernieuwd opperen van mogelijkheden, van mogelijke verbanden, van mogelijke achtergronden.

Musils zoeken komt ook voort uit onvrede. Aan het eind van zijn leven overziet hij het verloop ervan en concentreert zich op al die momenten dat zijn leven een belangrijke wending nam. Centraal hierin staat zijn keuze van de academisch gevormde schrijver vóór de literatuur en tegen een leven gewijd aan de wetenschap, waarvoor hij door zijn familie voorbeschikt was. Hij leefde voor de momenten die het leven naar een ander, liefst hoger niveau brachten (lees bijvoorbeeld De Merel): zijn intellectuele ontwikkeling is ook terug te lezen in zijn werken. Zijn vijfentwintigste dagboek schrift heet: Pogingen tot het vinden van een ander mens. Literatuur, zegt hij elders in zijn dagboeken, is een
stoutmoediger, logischer gecombineerd leven, het scheppen of uitkristalliseren van mogelijkheden.
Deze gedachte is als een van de motieven van De Man Zonder Eigenschappen terug te lezen. Maar ook in ander, korter werk, speelt deze houding een centrale rol. In een van de Onheuse Beschouwingen uit Het posthume werk van een levende speelt de confrontatie tussen ideaal en realiteit een belangrijke rol: in bijvoorbeeld Zwarte Kunst gaat het om de voorwaarden voor de artistieke schepping en kitsch.