Monsieur le Vivisecteur
I. Inleiding
Als achtienjarige begon Robert Musil met het bijhouden van een dagboek. Hierin hield hij zijn ingevingen en overpeinzingen bij, om "met mijzelf alleen, mijn eigen historicus" te zijn. De tot enkele dagen voor zijn dood in 1942 bijgehouden dagboeken zijn dan ook alleen aan zichzelf, en aan niemand anders gericht.
In de meer dan tweeduizend schriften, die door zijn vrouw en Adolf Frisé openbaar zijn gemaakt heeft Musil zijn observaties en gedachten verzameld: analyses, kritieken, werkelijkheids - beschouwingen, en ook ontwerpen voor zijn literaire activiteiten. Daarbij komt noch dat ze in toenemende mate een tijdsbeeld geven van de periode waarin en waarover hij schreef.
Tagebücher? Ein Zeichen der Zeit. So viele Tagebücher werden veröffentlicht. Es ist die bequemste, zuchtloseste Form. Gut. Vielleicht wird man überhaupt nur Tagebücher schreiben, da man alles andere unerträglich findet. Übrigens wozu verallgemeinern. Es ist die Analyse selbst; - nicht mehr und nicht weniger. Es ist nicht Kunst. Es solls nicht sein. Wozu viel darüber reden?
Als belangrijkste zijn de fragmenten een ontstaansgeschiedenis van de roman
"De Man Zonder Eigenschappen", waarmee hij rond de eeuwwisseling is begonnen en tot zijn laatste dagen
aan is blijven werken. Al zijn overpeinzingen, analyses en ordening van het materiaal dat hij erin verwerkte is in zijn dagboeken te vinden.
Voor meer over de dagboeken van Musil, lees
Man of many qualities, een uitstekende bespreking naar aanleiding van het verschijnen van de Engelse vertaling. Het bespreekt niet alleen de vertaling, maar ook de aard van de verschillende stukken die er in staan, en de relatie tot Musil's literatuuropvatting.
De dagboeken zijn grofweg in te delen in drie soorten fragmenten. Ten eerste zijn er de fragmenten die refereren aan zijn
literaire werken. Ten tweede zijn er fragmenten die te maken hebben met zijn
persoonlijke omstandigheden, en zijn beleving hiervan. Tenslotte zijn er de fragmenten die verwijzen naar de
dagboeken zelf.
De vertaling van de dagboeken is afkomstig van Hans Hom, en de uitgave werd verzorgd door Meulenhoff Amsterdam.
^ top
II. Leven
30.V
Met wetmatige regelmaat voltrekt zich de volgende cirkelgang in mij.
Ik ben arrogant, afwijzend, teruggetrokken, fijngevoelig, gelukkig.
Een of ander gevoel van kracht doet zich gelden. Ik heb me bij het roeien te zeer in mijn spieren vermeid of ik ben te stompzinnig intensief met filosofie bezig.
Ik voel allereerst dat mijn alzijdig conciliante arrogantie mij verlaat. Ik ben minder beminnelijk, heb minder esprit. Ik voel mij leeg en werk uit wanhoop. Mijn sociale gedrag lijdt eronder. Ik krijg een nederlaag te slikken. Ik kom me in vergelijking tot een willekeurige andere persoon dom voor. Ik gedraag me buitengewoon onhandig, ben niet in staat een belediging op passende wijze te beantwoorden. Een paar uur later ben ik weer arrogant, afwijzend, teruggetrokken, fijngevoelig en gelukkig.
Uit: Cahier 11 (1905 - 1918/19)
Hij kwam haar na deze kostelijkste nacht van zijn leven opzoeken. Hij zocht in haar ogen een rest van dat gisteren. Deze waren groot en rond, van een hete vochtigheid. Hij vroeg haar: "Huil". En zij huilde. Na enige tijd huilde hij mee. Want hij had de wil om te huilen. Nadien waren ze allebei moe en mat. En allebei voelden zij een veel tederder soort van liefde. Hij echter had een ontdekking gedaan. Deze.
Op het stilste uur.
Ieder mens is een kerkhof van zijn gedachten. Het mooist zijn ze voor ons op het ogenblik waarop ze ontstaan, later kunnen wij vaak een intense spijt voelen dat ze ons onverschillig laten waar ze ons vroeger in verrukking brachten.
Een stilste uur is nu dat tussen twaalf en een van onze ziel, waarin ze uit hun graven opstaan en elk ons een verloren stuk van onszelf brengt. Wij krijgen een ander gevoel van onszelf en worden stil, omdat we de onvermijdelijkheid kennen waarmee ze ons klokslag één verlaten
Huilen
Een kleine omkering. Hoe zou het zijn als de mensen om uiting te geven aan hun blijdschap het huilen zouden kiezen (Afgezien van de gangbare vreugdetranen) Hoe zouden mensen die dat konden eruitzien? Huilen en lachen zou men trouwens helemaal als dieet moeten behandelen.
Uit: Cahier 3 (1898 - 1905/06)
Fantasieën: Twee maanden liefde in een heel klein stadje. De vrouw van een of andere zieke man, die het huis niet uit kan, de onderwijzer, de koopman. Zij heeft een beetje brede, stevige taille en een beetje dikke kniën. Als ze naakt is doen haar handen niet mee met haar lichaam, maar als iemand die schuchter langs de kant staat. En toch zo vol leven, zo vol wil tot plezier, zo zeer vrouw - in een provinciaalse variant, die zich een beetje schaamt, maar vastbesloten is aan haar trekken te komen. Ze ruikt naar tule en stamijn. Ze weet dat ze het niet volmaakt doet, maar ze wil het toch doen.
Vakantieverblijf. Man, die zijn jeugd met werken heeft verloren, verdaan. Wakker worden met honger. En je merkt dat je al 35 bent en voor 17-jarige meisjes grappig. Omdat je je alleen maar van binnen kent, is het onvoorstelbaar voor je dat je oud zou zijn. Uitstapjes met de jongelui. De moeder is ook 35 jaar. Jij en zij horen bij elkaar. Je loopt met haar achter de anderen aan. Je raakt langzaam onder haar bekoring. Maar je zou daarbij voortdurend tussen die roedel meisjes willen springen. - Een meisje wordt ernstig, luistert graag naar je, laat zich dingen door je vertellen. Wondermooi, dit ernstig en kameraadschappelijk worden van meisjes voor het verliefd worden.
Uit: Cahier 7 (1913 - 1914)
Jij: jij laadt de ruimte om je heen in toenemnde sterkte met je tegenwoordigheid op. Verschil van intensiteit tussen voorstellen en er zijn wordt tot een geluk, dat ik voel.
Een massa gratie, welriekendheid, welgeordendheid omgeeft mij. In de voornaamheid van jouw lichaam treed ik binnen als een boer. Ik vind het een verrukking om met je te babbelen. Ik kan het trouwens alleen maar met jou. Kameraad. Enige mens van wie ik houd. Met wie ik kan opschieten, oplopen, opliggen; zonder een schaduw van elkaar niet mogen.
Maar de mystiek is weg; kan zich niet handhaven in de stad.
Daarvoor in de plaats iets haastigs, voortglijdends. Het vlug gestolene van dit korte samenzijn. Aards; warm als de zon op een aardbeienbed.
En toch iets van wantrouwen: ik wil je nooit ontrouw zijn - zonder in te zien waarom, alleen maar omdat jij het niet wilt - en jij zou het kunnen zijn. Jij zou ertoe in staat zijn, zonder iets tegen me te zeggen. Deze fantasie maakt me voor een paar minuten midden in het geluk geniepig.
En toen stond jij op het station terwijl ik wegreed, en je hield je gebogen arm omhoog als een vaandel dat men rechtop houdt, halsstarrig, je om de mensen niet bekommerend, door het overwinnen van de pijn van de vermoeidheid het lot iets afdwingend: en ik hield op dat moment tot tranen toe van jou en van jouw hele leven.
Uit: Cahier 1 (1915 - 1920)
November 1913.
Wachten: Ik bezie mijn werk. Het is bewegingloos; als van steen. Niet betekenisloos, maar de zinnen verroeren zich niet. Ik heb twee uur de tijd voor ik - als ik het goed uitreken - weg kan gaan. Elke vijfde minuut kijk ik op de klok, het is telkens minder, niet dan ik had geschat maar dan ik - als op een wonder - had hegoopt. Ik zie voor de eerste keer mijn meubels stilstaan in mijn kamer. Het ziet er op dezelfde manier anders uit als wanneer men vijf punten ziet als vijf dobbelsteenogen. De tafel, de twee stoelen, de sofa, de kast. Zo moet het mensen zonder ideeén vergaan wanneer hun werkdag eropzit. Er leeft een al ietwat overblijde verwachting in mij. Even overblij als aan het eind van de 24ste december vlak voor het feest begint.
Iemand op straat fluit, iemand praat gaat voorbij. Veel geluiden zijn er tegelijkertijd; iemand praat, op de bovenverdieping speelt iemand piano, de telefoon rinkelt. (Terwijl ik dit neerschrijf gaat de tijd als razend.)
Uit: Cahier 7 (1913 - 1914)
Over de associatie:Ik stap naar buiten, zie dat de stoep nat is en krijg een gevoel van onbehagen. Dan pas schiet me te binnen dat ik vergeten ben in de hal mijn overschoenen aan te trekken. Volgens de psychologie van de ass. zou dat een intellectueel verband zijn; in werkelijkheid light daar echter een gevoel tussen, dat zich kenbaar maakt.
Uit: Cahier 30 (1929 - 1941)
^ top
III. Werken
Iets over Nietzsche.
Men noemt hem onfilosofisch. Zijn werken lezen als geestrijke spelen. Mij komt hij voor als iemand die honderden nieuwe mogelijkheden ontsloten heeft en er geen enkele heeft verwezenlijkt. Daarom zijn die mensen op hem gesteld voor wie nieuwe mogelijkheden een behoefte zijn, en noemen diegenen die het niet zonder wiskundig berekende resultaten kunnen stellen hem onfilosofisch. Nietzsche op zichzelf is van niet al te grote waarde. Maar Nietzsche en tien flinke geestelijke arbeiders die datgene doen wat hij alleen maar aanduidde zouden onze cultuur een stap van duizend jaar vooruit brengen. -
Nietzsche is als een park, opengesteld voor het publiek - maar niemand gaat erin!
Uit: Cahier 3 (1899 - 1905/06)
De kwestie van het verisme.
Literaire kunst begint eerst daar, waar men zich van het naturalisme verwijdert, zeggen ze. Goed. Maar om een probleem juist te kunnen stellen, mag men niets reëels-belangrijks over het hoofd zien. Anders wordt het gewoon een onjuiste probleemstelling.
Hier moet men zich dus aan de natuur, exact aan de ervaring houden, want dit hier lijkt op wetenschappelijk denken. Wat betreft datgene wat dan blijft, mogen ze gelijk hebben. Afwijken van de natuur mag geen poëtische licentie zijn (zoals bv. het à part spreken bij het toneel) maar moet uit de oertegenstelling volgen die de kunst van het leven scheidt.
Uit: Cahier 5 (1910 - 1911)
Ik weet niet eens of het mijn goede of mijn boze geest is die zo in mij spreekt. Maar eruit moet het een keer.
Sinds ik tot het leven ben ontwaakt, denk ik er anders over. Dat wil zeggen: op plaatsen heldere kritiek, op plaatsen heldere doordachte voorstellen. Iets daarvan heb ik opgeschreven en gepubliceerd. Veel meer is echter ongearticuleerd tegenstreven gebleven. Half omhooggebracht, weer naar beneden gezonken. Verreikende, op vermoedens gebaseerde samenhangen, die het verstand niet gevolgd is.
Het verstand, dat de wetenschappelijke training heeft genoten, wil niet volgen als het zich geen bruggen heeft gebouwd waarvan het draagvermogen exact is berekend. Hier en daar rekende ik een afzonderlijk segment van zo'n brug uit; gaf het karwei weer op, in de overtuiging dat het toch niet af te maken valt. Ik zou er toch voor kunnen gaan zitten en materiaal bijeengaren, zoals er al eerder van zulke groots opgezette en vlijtige pogingen zijn gedaan - ...
Maar wat blijft daarvan over? Als de adem is verwaaid waarmee is geprobeerd de berg leven in te blazen, een onorganische hoop dood materiaal.
De vijf jaar durende slavernij van de oorlog heeft intussen het beste part uit mijn leven weggerukt; de aanloop is te lang geworden, de gelegenheid om alle krachten in te spannen te kort. Ervan afzien of springen, wat erook van komt, is de enige keuze die overgebleven is.
Ik zie af van systematisch en exact bewijs. Ik wil alleen maar zeggen wat ik denk en duidelijk maken waarom ik het denk. Ik troost me met de gedachte dat zelfs belangwekkende wetenschappelijke werken uit een dergelijke nood zijn geboren, dat Lockes ... eigenlijk reisbrieven zijn.
Uit: Cahier 19 ( 1919 - 1921)
4 april, donderdag ... Ik heb 700 pagina's in Berlijn liggen en heb vandaag een begin gemaakt met de daaropvolgende.
Zonder aan slapeloosheid te lijden slaap ik weer heel weinig en voel me allesbehalve goed.
Je mag geen tijd hebben om aan God te denken (geen gedachten vrij hebben), dan leef je het welgevalligst aan Hem!?
Ik heb van de wetenschap de gewoonte met regelmaat te werken, van de literatuur die om te wachten op het overstroomd-worden; dat is een van de oorzaken van mijn problemen. Nu ben ik tegenwoordig de mening toegedaan dat men zich de gedachte aan inspiratie uit het hoofd moet praten, omdat het denken eraan alleen maar een middel is om haar te hinderen; maar wat betekenen die bijzonder gelukkige momenten desondanks?
Uit: Cahier 30 (ca. 1929 - 1941)
Bij: abstractie
Een hond reageert op elke vrouwtjeshond in meer of mindere mate seksueel, of althans erotisch, maar doet dat niet bij een ezelin of bij een kat. Mensenvrouwen onderscheidt hij zeer van mannen.
Bovendien reageert hij op elke hond honds. Met een ceremonieel dat hij nergens anders bij ontplooit.
Ook kan gezegd worden: Wat vliegen kan en zwak is jaagt hij op; waar jacht op te maken is, maakt hij jacht op; wat gevaarlijk is, gaat hij uit de weg, slaat ervoor op de vlucht, jaouwt het uit vanuit de verte.
Dit gedrag gaat niet van abstracties uit, maar is daar wel het biologische voorstadium van; dus abstraheert niet pas het verstand, maar het door instincten gestuurde gedrag richt zich 'als naar categoriale of algemene begrippen'. Het begrip kat corresondeerd voor de hond met een gedrag dat voor iedere kat geldt, enz.
Uit: Cahier 30 (1929 - 1941)
^ top
IV. Dagboeken
1905
Ik begin vandaag met een dagboek; geheel tegen mijn normale gewoonte in, maar uit een heel duidelijk ingeziene behoefte.
Het moet na vier jaren van versnippering de gelegenheid geven om die lijn van geestelijke ontwikkeling terug te vinden die ik voor de mijne houdt.
Ik zal proberen er de 'vaandels uit een nooit geleverde slag' in binnen te halen. De ideeën uit mijn emotioneel hevig bewogen tijd moeten weer opgepakt, geschift en verder uitgewerkt worden. Hier en daar moet iets uit mijn losse aantekeningen worden overgenomen, maar alleen wanneer dat mij opnieuw bezighoudt.
Persoonlijke zaken zal ik zelden noteren en alleen maar als ik denk dat het intellectueel nog een keer van belang kan zijn om aan het desbetreffende te worden herinnerd.
Alle gedachten aangaande 'de wetenschap van de mens' moeten erin komen. Het vak-filosofische niet. Ontwerpen wel. Zo nu en dan een gedicht dat me het onthouden waard lijkt. In het bijzonder die met tussen- en boventonen. Absolute uitdrukkingen. Dit trouwens helemaal het grote punt van de stijl. Niet alleen maar aandacht voor wat men zegt, maar ook voor hoe men het zegt. Mijn stijl zoeken. Tot dusver probeerde ik het onzegbare met directe, tastende woorden te zeggen. Dat verraadt eenzijdige intelligentie. De wil om van de expressie een instrument voor mezelf te maken, dient aan de aanvang van dit cahier te staan.
Uit: Cahier 11: (1904/08 - 1918/19)
De psychologen onderscheiden meerdere typen geheugen; in de tijd dat ik studeerde waren dat het visuele, het auditieve en het motorische geheugen. Van die drie was er niet een op mij van toepassing, al reageerde ik bij de gangbare experimenten motorisch. Maar die zijn elementair. Het dichtst kom ik bij een karakterisering van mijn geheugen (en ook van mijn fantasievoorstellingen) met het volgende: Ik stel me de dingen in elk opzicht onaanschouwelijk voor, ongeveer in "feitelijke verhoudingen". Ik onthoud ook zelden details, doch altijd slechts de een of andere zin van de zaak. Uit de feitelijke verhoudingen, die geheel vormloos in het geheugen aanwezig zijn, bijna niet aanwezig zijn, worden op een wijze die ik niet heb geanalyseerd de uitspraken gevormd.
Ik geloof dat ik daarom ook zo moeilijk schrijf.
Ik wil dit vooropstellen, omdat het voor de waardebepaling van mijn herinneringen van belang is. In het 'algemeen' zullen ze betrouwbaar zijn, afzonderlijk genomen niet altijd.
Uit: Cahier 1 (1915 - 1920)
6.I Ik wil vanaf het begin van het jaar aantekeningen houden. Doel: vastleggen hoe mijn 50e levensjaar eruitziet! Maar ook: zonder bepaald doel feiten vastleggen. Ik ben te abstract geworden en zou me met behulp van dit middel ook graag tot het vertellen willen heropvoeden, doordat ik de dagelijkse omstandigheden respect betoon.
.....
3.II Het is mijn bedoeling om in deze aantekeningen alles van geestelijk-inhoudelijke aard te vermijden en alleen levensomstandigheden te noteren. Ik teken daarom aan dat het buiten +7 graden is en er sinds gisteren met onderbrekingen een fijne warme regen valt. Ik hoop daarbij dat het natte grauwe dak van het Salmpalais en het brokkelig rode, barokke pannendak van het Rasumofskypalais eens weer voor me zullen herrijzen.
...
... ben op de gedachte gekomen dat alles wat men liefheeft in de kunst mooi wordt. Schoonheid is helemaal niets anders dan de uitdrukking van het feit dat iets is liefgehad. Alleen zo zou ze te definiëren zijn. Daarom zou dan ook het toenemen van een satirische geest zeer gevaarlijk zijn. En schoonheid zou met [andere toestand] samenhangen, al is het ook enkel een geciviliseerde liefde waar ze van uitgaat. Ik weet op het ogenblik dat ik deze aantekening maak niet of ze iets waard is; ze hoort ook niet hier, maar ik heb op het moment geen ander cahier om haar in vast te leggen.
Uit: Cahier 30 (ca. 1929 - 1941)